De grenzen van het leed


© De Standaard • donderdag 09 juni 2011

Opinie/Column - © RIK TORFS

Met de uitdrukkelijke toestemming van de auteur overgenomen.


'De erkenning van de gaskamers en de Jodenvervolging heeft heel lang op zich laten wachten. Hopelijk moeten wij niet even lang geduld oefenen vooraleer vanuit Rome erkenning komt.' Alzo sprak een slachtoffer, in de Gentse Vooruit, tijdens een persconferentie waarop advocaat Walter Van Steenbrugge met veel bombarie aankondigde weldra de Heilige Stoel voor het gerecht te zullen slepen, omdat de kerkleiding, inzake seksueel misbruik van minderjarigen, haar leden structureel tot stilzwijgen zou hebben verplicht.


Hoe streng mag je voor een slachtoffer zijn? Feit is dat er in de kerk vreselijke fouten zijn gemaakt. Dat sommige leiders het imago van hun instituut belangrijker vonden dan het lot van slachtoffers. En lieten primeren op de inhoud van de christelijke boodschap die ze eigenlijk hadden moeten beschermen. Feit is ook dat machtsconcentratie tot machtsmisbruik leidt. Laat daarover geen twijfel bestaan.

Maar de slachtoffers dus. Heeft een slachtoffer altijd gelijk? Neen. Hoeft ook niet. Het volstaat dat iemand een slachtoffer is om aanspraak te mogen maken op respect. Slachtofferschap is geen morele kwaliteit. Integendeel, wie vindt dat een slachtoffer per definitie een edel mens is en altijd de waarheid spreekt, ontkent de intrinsieke waarde van het slachtofferschap. Die staat los van het individu en zijn concrete eigenschappen. Er zijn sympathieke en minder sympathieke slachtoffers, slimme en minder slimme.

Kun je de houding van de paus tegenover seksueel misbruik in de Kerk vergelijken met die van Adolf Hitler betreffende de uitroeiingskampen voor Joden? Neen. Hitler was erger. Dat moeten we durven zeggen. Ook tegen iemand die geen slachtoffer van Hitler, maar van een pedofiele priester is. De kerk bezorgde hem meer pijn dan Hitler dat deed. En toch verrichtte Hitler meer kwaad dan de kerk. Een gelijkschakeling minimaliseert de Holocaust. Ze gaat bovendien gebukt onder een gevaarlijke denkfout: ze maakt de ernst van het misdrijf afhankelijk van de pijn van het slachtoffer.

Hoe een slachtoffer pijn verwerkt, verschilt van geval tot geval. Sommige mensen gaan verder met hun leven, zonder daarom het aangedane leed te vergeten, niet zelden omdat ze aan hun slachtofferschap onder geen beding het statuut van slachtoffer willen overhouden. Andere vinden dat statuut juist wel belangrijk, het slachtofferschap maakt hen tot wie ze zijn, schept banden en verleent identiteit. Alleen wie zelf slachtoffer is kan begrijpen wat andere slachtoffers hebben meegemaakt, vinden zij. Sommige slachtoffers zoeken troost in de stilte. Andere in het protest, zoals destijds, in het zog van de Dutroux-affaire, Paul Marchal. Zijn actie was gestold verdriet. Niemand kan hem zijn houding kwalijk nemen. Al had hij, in wat hij zegde en deed, soms ongelijk.

Rede en emotie. Zij horen samen, hun combinatie is de sleutel van een gelukkig en evenwichtig leven. Toch moeten zij in een rechtsstaat, de enige dam tegen gore maatschappelijke ontsporingen, messcherp worden gescheiden.

Slachtoffers verdienen hulp en recht moet geschieden. Maar het slachtoffer bepaalt niet wat recht is, en het recht heeft geen greep op de grenzen van het leed. Overigens, laten we nooit vergeten dat handelingen die geen misdrijf zijn, maar wel gruwelijk, ook slachtoffers kunnen maken. Blijvend. Voor altijd.

Twaalf was ik toen, in volle winter, Herman trots de oneffen plaveien van de speelplaats betrad met op zijn hoofd een door zijn moeder gebreide muts. Zijn moeder: een weduwe. Het klinkt sentimenteel, maar zo was het. Herman heette een flauwerik te zijn, eigenlijk werd hij gewoon gepest. Een stoere vader om hem te wreken had hij niet. De muts werd van zijn hoofd gerukt, hop, hop, pak ze Herman, spring dan, Houten Klaas. Iemand slingerde de muts in de dakgoot van het schoolgebouw, een tochtig jeugdlokaal dat tijdens de week als klas werd gebruikt. De muts: blauw was ze, omzoomd met twee ragfijne biesjes, een groen en een wit. Met liefde gebreid, dacht ik treurig. Wekenlang zag ik de muts in de dakgoot verkommeren, tot ze er op een dag niet meer lag. Maar ze was er nog wel. Ze is er altijd gebleven.

Een collaborateur ben ik nooit geweest. Met de muts heb ik niet gegooid. Maar protesteren deed ik evenmin, daarvoor was ik te bang. Dat spijt mij, tot op vandaag. Over het slachtoffer en hoe het verder met hem ging, weet ik niets. Misschien heeft Herman nu nog pijn. Misschien ook niet.

Rik Torfs