•     home         auteur         boeken         columns         kolumnen deutsch         contact     •

 

  Kerk kan verantwoordelijkheid voor pedofilie niet zomaar ontlopen



De juridische waarheid achter 'schuldig verzuim'. Met dank aan en met uitdrukkelijke toestemming van Bjorn Ketels. Artikel bewerkt door Roel Verschueren.



Dossiers over seksueel misbruik kunnen niet alleen voor de misbruikers zelf, maar ook voor omstanders die de kop in het zand hebben gestoken op strafrechtelijke consequenties uitdraaien. De bewering dat enkel het slachtoffer zelf een klacht kan indienen, klopt niet.


Het schandaal van pedoseksualiteiten en de nasleep ervan heeft in kerkelijke middens behoorlijk wat stof doen opwaaien. In een pastorale brief van 19 mei 2010 slaan de bisschoppen en de diocesane administrators van België uitdrukkelijk mea culpa: ‘We moeten bekennen dat kerkelijke verantwoordelijken de ernst van het misbruik van kinderen en de omvang van de gevolgen ervan onvoldoende hebben onderkend. Door te zwijgen werd voorrang gegeven aan de goede naam van het kerkelijk instituut of een kerkelijke persoon boven de waardigheid van het kind als slachtoffer’. Er komt een deontologische code voor priesters en andere geestelijken die werken met kinderen, adolescenten of kwetsbare volwassenen. Daarbovenop zullen de pastorale medewerkers beter worden gesuperviseerd en begeleid, en zullen de selectiecriteria voor de toelating tot een wijding of een andere verantwoordelijke taak in de kerk strenger worden toegepast.

Deze kerkelijke resonantie staat natuurlijk niet in de weg dat dossiers van kindermisbruik in een pastorale relatie ook een juridisch staartje krijgen, niet in het minst van een strafrechtelijke aard.


Geen klachtmisdrijf


Net zoals de misbruikers zelf, staan ook geestelijken die zich aan struisvogelpolitiek bezondigen niet zonder meer uit de wind van de repressie. Punten als verjaring en bewijs in acht genomen, plegen zij door hun verzuim mogelijk een strafbaar feit.

In de eerste plaats kan natuurlijk worden gedacht aan het eigenlijke omissiedelict schuldig verzuim. Volgens artikel 422bis Sw. wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro of met één van die straffen alleen, hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen.


De ratio legis van deze bepaling ligt in de bestrijding van het sociaal egoïsme of nog het gebrek aan menselijke solidariteit. Vastgesteld moet worden dat de verzuimer kennis had van de situatie van kindermisbruik (een kennis die uit de feitelijke omstandigheden kan worden geïnterpoleerd en waarbij de rechtspraak zich nogal soepel opstelt) en toch vrijelijk heeft geweigerd effectieve en adequate hulp te verlenen of te verschaffen, zoals bijvoorbeeld het rechtstreeks in contact brengen van het slachtoffer met een gespecialiseerde dienst en, als laatste redmiddel, zelfs het inlichten van de gerechtelijke autoriteiten – de uitoefening van de strafvordering voor de misdrijven waaronder (seksueel) kindermisbruik valt, is immers niet afhankelijk van een klacht van de benadeelde partij (het gaat met andere woorden niet om klachtmisdrijven) - terwijl hij dat zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen had kunnen doen.


Als de verzuimer het gevaar waarin de hulpbehoevende verkeerde niet persoonlijk heeft vastgesteld, geldt wel een extra beperking: hij kan dan niet worden gestraft als hij wegens de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was. Dat een situatie van (seksueel) kindermisbruik een groot gevaar in de zin van de wet oplevert (dat wil zeggen een situatie waar de lichamelijke of mentale integriteit, vrijheid en/of eerbaarheid van een persoon worden gehypothekeerd), kan bezwaarlijk worden ontkend. Het volstaat in dat verband te wijzen op de aanpassing van artikel 422bis Sw. door de wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen (B.S. 25 april 1995), die niet alleen de maximumvrijheidsstraf op het basismisdrijf heeft opgetrokken (van zes maanden tot één jaar) maar ook een verzwarende omstandigheid heeft ingevoerd.


Sindsdien luidt artikel 422bis, derde lid Sw. dat de straf van één jaar op twee jaar wordt gebracht, als de persoon in groot gevaar minderjarig is. ‘Op deze wijze wordt gestreefd naar een responsabilisering van de volwassenen ten aanzien van minderjarigen die gevaar lopen’, aldus het ontwerp van wet (Parl.St. Senaat1994-95, nr. 1348/1, 4).


In niet mis te verstane bewoordingen vervolgt het wetsontwerp, dat van een volwassene die op de hoogte is van het ernstig gevaar waarin en minderjarige zich bevindt, niet kan worden aanvaard dat hij het stilzwijgen bewaart, ongeacht of hij een verwante is van het slachtoffer of van de agressor.

Zo geldt de plicht om hulp te verlenen of te verschaffen bijvoorbeeld niet alleen voor de ouders van een slachtoffer van kindermisbruik in een pastorale relatie maar ook voor andere omstanders, zoals geestelijken. Een geestelijke zou zich in de hierboven geschetste omstandigheden overigens niet achter het biecht- of beroepsgeheim kunnen verschuilen. De invoeging door de wet van 28 november 2000 betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen (B.S. 17 maart 2001) van artikel 458bis Sw. spreekt in dat opzicht boekdelen: ‘Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396 tot 405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen’. Daarnaast zouden geestelijken die kennis (moeten) hebben van kindermisbruik door hun verzuim ook andere misdrijven kunnen plegen, die tot zwaardere straffen kunnen leiden.


Denk bijvoorbeeld aan de oneigenlijke verzuimdelicten, dat is wanneer de delictsomschrijving een verbiedend rechtsvoorschrift inhoudt maar de strafbare gedraging ook in een niet-handelen kan bestaan, en - in dezelfde lijn - ook aan de deelneming door onthouding, waarvan de strafbaarheid op vandaag

door de dominante rechtspraak en rechtsleer wordt erkend. Deze rechtsfiguren zijn sinds de invoeging van art. 422bis Sw. echter wat op de achtergrond geraakt.


Bjorn Ketels

Bjorn Ketels (Tielt, 8 februari 1982) studeerde aan de Universiteit Gent, waar hij op 7 juli 2005 de academische graad van licentiaat/master in de rechten behaalde met afstudeerscripties over de (inter)nationale betekeningsregels, de strafuitvoeringsrechtbanken en het mensenhandelbeleid van de Raad van Europa. Twee jaar later promoveerde hij aan dezelfde universiteit tot licentiaat/master in de criminologische wetenschappen.