Het verloren verlangen


Je kunt een bierland natuurlijk niet met een wijnland vergelijken, dat zou oneerlijk zijn. Maar toen ik de voorbije week met mijn gezinnetje vanuit Wenen naar Gent vloog, begon ik onbewust over de verschillen tussen beide steden na te denken. En dan laat ik het bijna één en een half miljoen inwoners grootste verschil nog buiten beschouwing.

Het was het begin van de Gentse Feesten. Een geboren en getogen Gentenaar die in Wenen woont wil daar af en toe wel een graantje van meepikken. Trots en fierheid mogen dan al mee migreren, af en toe bijtanken kan geen kwaad.

Een eerste opmerkelijk verschil tussen feestend Wenen en feestend Gent heeft alles met lozen te maken. Een fuifnummer dat zich respectievelijk zwaar in wijn dan wel bier smijt ontkomt er niet aan.

In Gent doen ze dat zo:                                             In Wenen eerder zo:


Een tweede groot verschil is dat je in Wenen tijdens dergelijke grote straatfeesten eigenlijk hetzelfde eet als altijd: schnitzel, honderd soorten braadworst en Frankfurter, goulash en aardappelen. Bij ons ontstaat tijdens de Feesten één grote wereldkeuken in de straten, waar we ons kunnen tegoed doen aan alles wat ons hartje begeert, ook al zijn de obligate mosselen en frietjes omnipresent.

In Vlaanderen kennen we nog rondtrekkende kermissen. Wenen heeft er één, dan wel een enorm grote en het hele jaar door. Maar het verschil is dat je in het “Wurstelprater” 1 Euro betaalt voor 1 schot in het schietkraam. Daar leg je in Gent al snel meer dan één krijten pijpje voor om.

Het ‘reuzenrad’ uit 1897 in het Prater heeft sinds lang aan prestige ingeboet. Er zijn tientallen grotere, mooiere en meer interessante in de wereld, maar bescheidenheid is een woord dat in het onbestaande Oostenrijkse woordenboek werd geschrapt.

Het grootste verschil vond ik (samen met mijn Weense gezellen) de vriendelijkheid. In Gent liepen de mensen gelukkig rond. Een grote potpourri van leeftijden, herkomst en taal. Je wordt er nog als gast onthaald en evenredig vriendelijk bediend. In Wenen lijken ze zich allemaal voort te slepen met een vage erfelijke belasting die hen ervan weerhoudt eens gewoon echt uit de bol te gaan. Er is een enorm verschil in levensvreugde. De spontane feestvierder is in Wenen eerder een “Kampftrinker”, iemand die eerst en vooral een voldoende promille in het bloed moet hebben vooraleer die zich vrijgeeft, even in zijn kaarten laat kijken, om dan terug dicht te klappen.

Toen we België verlieten zei mijn dochtertje dat ze het in Gent had leuk gevonden. Ze zou er kunnen wonen, zei ze. Dat doet mijn Vlaams vaderhart natuurlijk een slagje overslaan, maar dan een kleintje. Want zij denkt dat het in Gent altijd Gentse Feesten zijn. Dat er altijd zo veel plezier wordt gemaakt en de mensen altijd zo zonnig rondlopen, dat er doorlopend muziek wordt gespeeld en het kindercircus in het Baudelopark elke dag opnieuw wordt uitgevonden.

365 dagen kermis is geen kermis meer. Die kermis wordt ‘normaal’. En wat normaal is wordt vervelend, routine vermoordt plezier, dagelijkse toegankelijkheid doodt het verlangen dat tijdens het wachten ontstaat en het wachten ook draaglijk maakt.


Mijn dochtertje verlangt vandaag al meer naar de volgende Gentse Feesten dan dat ze naar het Prater verlangt. Ik heb het haar allemaal kunnen uitleggen. Opvoeding kan ontroerend zijn. En... een kinderhand is gauw gevuld.




Roel Verschueren, Wenen 25 juli 2009