“Mijn kind kan het!”


Tanja Stelzer schreef voor Zeit Magazin een artikel onder de titel: “Mijn kind kan het!” Vrij vertaald en ingekort uit Zeit Magazin Nr. 32 – 30/07/09 - © Die Zeit

Nederlands van Roel Verschueren


Tanja Stelzer’s uitgangspunt eindigt met een vraag: “Ouders verlangen van hun kinderen vandaag meer dan ooit tevoren, en helpen soms met therapie en medicamenten. Maar welke prijs betalen die kinderen voor hun succes?”


In haar artikel beschrijft ze hoe Vera Klischan, hoofd van een school in Hamburg, door het raam staat te kijken en wacht op de terugkeer van de autobus. Klas 3b komt terug van een schooluitstap die een week duurde en waar niets voor werd gepland. Een week zonder programma, puur ontspannen, niets doen. Dat is zuivere luxe, zowel voor de ouders met hun belangrijke voltijdse jobs als voor de kinderen, die niet minder bezig zijn.

Het hele land spreekt over hoe kinderen vereist zijn tred te houden en aan de competitieve internationale normen te voldoen en deze school leert hen hoe ze zich moeten ontspannen? De dingen moeten loslaten?

Dat heeft alles te maken met het feit dat het deze kinderen eigenlijk niet zo goed gaat, toch niet zo goed als men op het eerste gezicht zou denken. Hoewel ze op kerstdag en op hun verjaardag alles krijgen wat het hartje lust, hoewel de ouders van deze kinderen goed opgeleide mensen zijn, met hoge of heel hoge beroepskwalificering, en zeer zorgdragende mensen zijn in hun privaat leven.


De kinderen op deze school krijgen alle aandacht, men zou zelfs kunnen stellen dat geen generatie voor hen ooit zoveel liefde kreeg. En hoewel men dus zou kunnen denken dat deze kinderen de beste startkansen krijgen is het hier niet anders dan in de rest van het land, niet anders dan bij de doorsnee: kinderartsen schrijven naar schatting voor een derde van de scholieren ergotherapie voor, logopedie, leertherapie. Men kan zich afvragen wanneer die kinderen tijd hebben om in hun met liefde ingerichte eigen kamers te spelen: ze gaan naar het hockey, tennis, gaan zeilen, volgen muziekles, dikwijls hebben ze in de namiddag twee tot drie programmapunten af te werken. En daarna nog even op therapie.


Vera Klischan kent na dertig jaar dienst de namen van de therapeuten, ze sturen haar met regelmaat visitekaartjes en kleine folders met een vriendelijk begeleidend briefje: “Mogen we ons even aan u voorstellen?”

Vandaag kreeg ze nog maar eens een sollicitatiebrief in de bus van ouders die voor hun driejarige een plaatsje aan de school zouden willen, omdat de school een heel goede reputatie heeft. De ouders schrijven over hoe nieuwsgierig hun kind wel is, dat het graag zingt, een foto werd ingesloten.

Dit soort brieven is voor het schoolhoofd een teken voor hoe zeer de ouders onder druk staan. “Bildungsangst” noemt ze het. Angst voor de ontplooiing van alle menselijke kwaliteiten in hun kind. En het klinkt niet als een verwijt, eerder als medelijden. Ze is ervan overtuigd dat het precies deze angst is die kinderen ziek maakt. Of: die ervoor zorgt dat we ze ziek praten.

Als we de statistieken mogen geloven groeit in de scholen een generatie zieke en gestoorde kinderen op. In 2007 kregen 20% van alle zesjarige jongens een spraaktherapie, 13% een ergotherapie voorgeschreven. Sinds jaren stijgt het aantal kinderen waarbij stem- of spraakstoornissen, of sensorische of motorische storingen worden vastgesteld. Volgens een studie van het Robert-Koch-Instituut vertonen bijna 18% van de jongens en 11,5% van de meisjes op hun zeventiende gedragsstoornissen of kampen met emotionele problemen. Bij 10 tot 11% wordt ADHS vastgesteld. Onderzoekers voorspellen bovendien een golf aan diagnoses van autisme en depressie, zoals die in de USA wordt vastgesteld, en er is nog nooit een trend uit de USA niet naar Europa overgewaaid.


Wat is er dan toch aan de hand met onze kinderen?

Zijn ze werkelijk met zoveel waaraan iets mis is? Of ligt het aan ons, de hyperkritische volwassenen, die plots tekortkomingen zien die vroeger niemand heeft waargenomen? Ziekte is immers een kwestie van definitie – elke samenleving beslist autonoom welk lichamelijk of geestelijk gedrag ze al dan niet tolereert. Is ontwikkelingsstoornis de ziekte van de 21e eeuw, zoals de pest in de middeleeuwen, hysterie in de 19e en hartaanvallen in de 20e eeuw?


Tanja Stelzer stelt dat we eigenlijk redelijk goed zouden moeten weten hoe het met onze kinderen gaat. We hebben ze immers nog nooit zo intensief bestudeerd. Kind zijn is niet meer wat het was, kinderen spelen niet meer op straat. Er zijn geen echte benden meer, geen vechtpartij die naam waardig. Dat is geruststellend, hoewel het anderzijds ook zo is dat kinderen niet meer leren om te gaan met wat vroeger op straat gebeurde, de ouders wrongen zich daar als filter te veel tussen.


Zet zes ouders rond een zandbak in het park waarin hun kinderen spelen en je moet niet lang wachten tot een van hen zich luid bemoeit als twee kinderen dezelfde emmer of hark willen hebben. Want de kinderen wordt niet gevraagd noch de ruimte gegeven om zelf een oplossing te vinden voor het probleem. Dat doen de ouders. Zij werpen zich in de strijd om de eigendom van hun kinderen te verdedigen tegen de concurrenten.

Nog zo een voorbeeld dat perfect past in een sociale studie zijn de ouders die hun kinderen naar school brengen en zelf de schooltassen dragen.


Kind zijn in 2009 betekent leven in een bewakingsstaat, in een dictatuur van het goede. Geen saaie namiddagen meer thuis, want ergens zorgt altijd een volwassene wel voor actie; geen luie bezoeken aan familie in het weekend, maar circus, museum, concert of ballonvaartjes.


Remo Largo is een instituut en verklaart onomwonden dat zich hier een enorm probleem stelt. Miljoenen ouders hebben ergens op een boekenplank zijn boeken “Babyjaren” en “Kinderjaren” staan. Deze arts en professor leidde 35 jaar lang de afdeling “groei en ontwikkeling” aan het kinderziekenhuis in Zürich en is nu met pensioen. In zijn geval betekent dit dat hij vanuit het raam van zijn werkkamer naar de Zürcher See kijkt, lindethee drinkt, de grazende koeien in de wei gadeslaat en boeken schrijft over alles wat kinderen hem in zijn lange loopbaan hebben geleerd. Remo Largo is een nuchtere, zakelijke man die zijn uitleg graag met diagrammen documenteert. In zijn afdeling werden tussen 1954 en 2005 de groei en ontwikkeling van zowat 800 gezonde kinderen bestudeerd, van bij de geboorte tot ze twintig werden. Als er iemand is die weet hoe kinderen opgroeien, dan hij.

In zijn laatste boek “Schooljaren” staan twee prenten die bittere waarheden weergeven. De ene prent toont hoe zeer de stand van de ontwikkeling bij kinderen met gelijke leeftijd uiteen ligt. Een gezond kind dat op zijn zevende naar de tweede klas gaat kan zo ver ontwikkeld zijn als een ander gezond kind van vijf jaar oud, of zelfs een ander niet hoogbegaafd kind van negen. Als elk van deze drie kinderen op ongeveer dezelfde leeftijd met school aanvangen, dan zou het ene onder niveau en het andere boven niveau moeten presteren. En vele kinderen die boven hun niveau moeten werken zouden dan meteen met geneesmiddelen ‘geholpen’ worden. Alle drie normale kinderen. Voer voor therapeuten, naschoolse hulp, farmaceutische industrie.


De tweede prent is voor ambitieuze ouders nog erger. De statistische waarschijnlijkheid dan een moeder met een IQ van 130 een dochter krijgt die even of meer begaafd is dan haar moeder is slechts 16%.

In 84% van de gevallen, zo toont Largo’s curve, wordt de dochter intellectueel minder bekwaam. “Regression to the mean” heet het fenomeen. Verschuiving naar het midden. De mens neigt statistisch gezien naar de middelmaat.

Zeer intelligente en succesrijke ouders hebben weinig reden te veronderstellen dat hun kind even intelligent en succesvol zal zijn als hen. Einstein had weinig kans op een Einstein junior. Er is hoop voor de zeer domme ouders, die met een zeer hoge waarschijnlijkheid een kind zullen krijgen dat minder dom is dan zij zelf (als het de kans krijgt te tonen wat het kan, maar dat is een ander probleem).

Er ligt dus een enorme druk op de kinderen van slimme en succesrijke ouders die dromen van een even glanzende carrière voor hun kleine spruit, een druk die antiproportioneel is ten opzichte van de reële capaciteiten van zoon- of dochterlief.


De lijnen op de diagrammen die Remo Largo met zijn vinger volgt zeggen ook iets over zijn eigen leven. Eén van zijn drie dochters tuiniert. Hij vindt dat niet erg, zij heeft twee kinderen en is zeer gelukkig, zegt hij. Misschien gaat hij daar zo gelaten mee om omdat hij zelf uit een arbeidersgezin komt. Andere ouders die hij kent hebben hun persoonlijke ervaring met “Regression to the mean” minder neutraal aanvaard.


Largo vertelt over tragische biografieën waarmee hij geconfronteerd werd. Eeuwige studenten, constante mislukkelingen, drugsverslaafden, mensen die zich van het leven hebben beroofd. En dat alles, zegt hij, omdat ze de verwachtingen van hun ouders niet konden vervullen.

Waanzin is het alle kinderen bankier te willen laten worden. Toen vroeger iemand gebuisd was voor wiskunde moest hij arbeider worden. Soms terecht, soms ten onrechte, maar zo eenvoudig was het. Vandaag wordt zo iemand in therapie gestuurd. Largo noemt het de “extreme hysterie van volwassenen.”

Het verdriet om het ideale kind dat men niet gekregen heeft begint al bij de  zwangerschap die niet zo romantisch verloopt als men zich had voorgesteld. En zodra het kind er is vraagt men de kinderarts om iets voor te schrijven. Zodat de baby eindelijk begint te kruipen. Of omdat het kind op tweejarige leeftijd wel 150 woorden kent maar lispelt. Of omdat de driejarige nog niet mooi genoeg tekent en de zesjarige niet kan stilzitten. De familie neemt alsmaar minder verantwoordelijkheid over het kind en geeft die door aan specialisten, op wie meer vertrouwd wordt dan op de eigen intuïtie.

De tragiek van het kind van vandaag is dat het oefent en oefent, bijscholing krijgt maar niet beter wordt. Het hele eisenpakket is gebaseerd op de veronderstelling: hoe meer input, des te meer output. Echter, een kind dat men geleidelijk aan alsmaar meer te eten geeft wordt niet groter, maar stomweg dikker. En het groeit op met het gevoel: “met mij is iets niet in orde!” En ooit… als het kind dik genoeg is, klopt dat ook.

Het drama, gelooft Largo, is dat de kinderen van vandaag “wenskinderen” zijn, dat ze niet meer toevallig geboren worden. Een wenskind heeft minder broers en zussen, hoewel kinderen zich het meest via andere kinderen ontwikkelen en ontplooien. Ook daarom is Largo een fervente aanhanger van crèches en voltijds onderwijs. Het moeilijkst is het voor het enig kind: het draagt alle verwachtingen van de ouders alleen en eenzaam op de schouders. Fatale gedachte toch dat het de dromen van de ouders moet vervullen in plaats van de eigen dromen? Het moet een juweeltje worden, ongeacht hoe veel en hoe lang er moet geslepen worden opdat het zou glanzen en schitteren.


Maar is het dan geen enorme vooruitgang dat men al die ‘storingen’ met therapie kan behandelen? Dat de ouders vandaag niet zo autoritair meer zijn, dat ze hun kinderen zo lief hebben, ze “au serieux” nemen en alleen maar het beste voor hen willen?


De professor antwoordt met een tegenvraag: “Weet u hoeveel tijd ouders echt met hun kinderen doorbrengen? Vaders: 20 minuten per dag. En in Duitsland en de US hebben 50% van de vaders na een echtscheiding na verloop van twee jaar geen contact meer met hun kinderen. Zouden ze dat doen mochten ze hun kinderen waarlijk zo waanzinnig liefhebben als verondersteld?”

Ouders sturen hun jongens naar het voetbal, de meisjes naar het ballet. “De bijdrage van de ouders zelf in de opvoeding is verwaarloosbaar,” zegt Remo Largo, “behalve dan dat ze chauffeur voor hen spelen, en daar met autostickers op de bumpers nog graag voor uitkomen ook.”

Ouders hebben angst dat ze zonder programma niet weten wat ze met hun kinderen moeten aanvangen.


Het is anderzijds ook zo dat ouders niet weten wat ze moeten doen als de leraar komt en zegt: “Uw kind lijdt aan woordblindheid, rekenstoornis, het zit niet stil, u zou het moeten laten testen op ADHS, of misschien is het wel hoogbegaafd?”

Remo Largo beschouwt woordblindheid en rekenstoornis als normvarianten van lezen en rekenen die men met therapie niet kan wegwerken. De meeste van de hyperactieve kinderen hebben een intensieve maar ook normale bewegingsdrang. Wat kinderen vandaag missen zijn niet de therapieën,  maar een rechtvaardige wereld, relaties die niet op prestatie zijn gebaseerd. Om het met een ouderwets, bijna kitscherig woord te zeggen: geborgenheid.


Ulrike Kegler is schoolhoofd in Potsdam en onlangs verscheen haar boek “In de toekomst leren we anders.” Je kan ze in haar bureau vinden, de ouders die ondanks ontelbare therapieën met hun kinderen niet verder kunnen en dan tenslotte om een plaats in de Montessorischool smeken, waar geen punten worden gegeven noch aanwezigheid wordt bijgehouden, waar niet constant wordt gestimuleerd en kinderen op de vloer mogen liggen als ze willen schrijven, tekenen of rekenen.

Ze kent de zevenjarigen die bij het begroeten al zeggen: “Ik heb het ADHS-syndroom.” Als zo’n zin valt antwoordt Ulrike: “Wat? Je hebt mooi krullend haar, blauwe ogen, een mooi T-shirt!” en stuurt hen alleen op ontdekking door de school terwijl ze alleen met de ouders praat. Hoe rustig zijn ze zelf? Hoe beleven ze het dagelijkse leven? Hoe vaak eten ze samen? Hoe verlopen hun vakanties?

Het is ongelooflijk hoe alles verandert zodra de ADHS-diagnose niet langer het middelpunt is. Als men kinderen dingen aanbiedt die ze aankunnen. Als men ouders ondersteunt bij het aanvaarden van hun kind dat het is zoals het is.


Niet alle ouders kunnen hun kinderen naar een Montessorischool sturen. Maar in plaats van de kinderen van het ene sportcentrum naar de andere muziekschool en therapie te sturen en 25 kinderen uit te nodigen op hun verjaardagsfeestje kunnen ze zich bezighouden met het lijstje dat Ulrike Keglers als zinvolle dagelijkse bezigheden heeft neergeschreven:


Iets voorlezen

Samen koken

Een berg beklimmen

Met de bal spelen

Samen opruimen

Fiets in plaats van auto nemen

Gewoon niets doen


Het lijkt wel of wij volwassenen een heel eenvoudig principe hebben vergeten:

Kinderen willen alleen maar spelen. Misschien moeten we ze, gewoon ter afwisseling, maar eens gerust laten. En als het echt niet anders kan, zelf in therapie gaan.