Vloeken doe je in het Vlaams









Ze mogen zeggen wat ze willen. Ik weet het ondertussen wel. Je geboorteland verlaten om ergens anders in de wereld een nieuw leven op te bouwen heeft verregaande gevolgen. En verregaand heeft in dit verband een zowel positieve als negatieve connotatie.


Eens het afscheid achter de rug duurt het echt niet lang (hooguit een paar jaar) voor de relatie met de achterblijvers volledig verwatert, de communicatie opdroogt spijts e-mail, blogs en skype, er worden misschien nog wat foto's naar oma verzonden omdat alleen gewone post haar bereikt maar dan gaat het snel bergaf. Want het leven gaat door, even intens als het was, en dat geldt zowel voor de expats als voor de vrienden en familie thuis.


Ik heb er me moeten bij neerleggen dat oude vrienden, die aanvankelijk nog eens voor een kort weekend op bezoek kwamen, hun schaarse vakantiedagen niet noodzakelijk in Wenen willen doorbrengen, ondertussen grootouders geworden zijn die zich liefst met de kleinkinderen bezig houden of gaan golfen in Algarve.


Je bent als expat zelf ook te veel bezig met vrijwillige integratiepogingen, het (opnieuw) aanleren van de taal die je ooit nog beter beheerste of nooit geleerd hebt, de vrienden van je partner leren kennen en aanvaarden dat ze anders zijn. In mijn geval, dat Oostenrijkers anders zijn en nog niet zo een klein beetje. Vooral als de meeste van die vrienden, net zoals de partner, uit Tirol afkomstig zijn.


Ik volg de lokale politiek op de voet, ik weet wat cultureel in Wenen en daarbuiten belangrijk is, ik ben deel van een sociaal netwerk in en rond het district waar ik woon en heb niet te klagen over een gebrek aan vrienden of kennissen waarmee een goed gesprek mogelijk moet kunnen zijn.


Hoewel ik aanvankelijk het gevoel had dat ik mijn humor had verloren omdat het Duits mijn gebruikelijke assertiviteit en ad rem opmerkingen niet verdroeg, dat ik sprak met de levenservaring van een vijfjarige bij gebrek aan nuances en de rijkdom van de woordenschat die ik in mijn eigen taal zo goed beheers. Tot ik ophield te praten. Puur uit frustratie.


En met alle respect voor de Oostenrijkers, het doorsnee Engels dat ze beheersen deed mijn frustratie alleen maar toenemen omdat ik meestal de zinnen moest afmaken die ze liefdevol probeerden te formuleren om mijn gebrek aan kennis van het Duits tegemoet te komen.


Toen ik naar Wenen verhuisde was de afspraak dat mijn partner en ik een neutrale derde taal zouden gebruiken, zodat geen van ons het voordeel van de eigen moedertaal zou hebben. We praten Engels met mekaar. Met mijn twee kinderen praat ik Vlaams, met de vrienden en hun kinderen onderhoud ik me in het Duits.


Vijf jaar woon ik nu hier. De taal gaat beter, "veel beter" stimuleren en ondersteunen mijn vrienden me, en dat doet natuurlijk plezier. Het gemeenschappelijk Engels is ondertussen verwaterd. Als je al eens ruzie maakt, als je al eens een echt belangrijke zware discussie met je partner hebt, glijdt de taal zeer snel in de richting van de taal die je het best beheerst. Eens goed vloeken in het Duits ligt me minder, omdat het veel harder en vulgairder klinkt dan ik gewoon ben.


Het was op de dag dat ik moest vaststellen dat we tijdens een korte maar heftige ruzie beiden onze erger in het Duits verwoordden, dat ik begrepen heb dat ik stilaan begin het Duits te beheersen.


Niet dat me dat gelukkiger maakt, want wat ik het meeste mis is een goede ruzie in het Vlaams.

En dat zal - hoe goed ik het Duits ooit ook zal beheersen - altijd zo blijven.


Roel Verschueren, Wenen 15 juni 2009